Skip to content

Knowledge base / Violent offences

Voorlopige hechtenis - vast tenzij?

mr W.J. (Willem) Backer

Advocaat | Partner

30 Sept 2026

Short answer

Het nieuwe Wetboek van Strafvordering legt de onschuldpresumptie vast en herschikt de regels over voorlopige hechtenis, maar de gronden blijven grotendeels gelijk. De discussie gaat daarom over de praktijk: rechters worden opgeroepen terughoudender te zijn en vaker te schorsen. Dat biedt verdachten nieuwe kansen.

Het nieuwe Wetboek van Strafvordering is in februari 2026 door de Eerste Kamer aangenomen en treedt op 1 april 2029 in werking. Het is de grootste herziening van het strafprocesrecht sinds 1926. Een van de onderwerpen waar de praktijk het meest naar uitkijkt, is de voorlopige hechtenis: het vastzitten van een verdachte voordat de rechter over de zaak heeft geoordeeld. In dit artikel leggen wij uit wat het nieuwe wetboek op dit punt wel en niet verandert, waarom juristen en rechters aandringen op een andere toepassing en wat dit betekent voor wie nu of straks met voorlopige hechtenis te maken krijgt.

De onschuldpresumptie krijgt een wettelijke plaats

De belangrijkste vernieuwing staat vooraan in het wetboek. Artikel 1.1.3 bepaalt dat de verdachte voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Dat beginsel gold uiteraard al op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, maar het is nu uitdrukkelijk in de Nederlandse wet opgenomen. Volgens de toelichting van de wetgever moet dit betrokkenen in de strafrechtspleging voortdurend herinneren aan het uitgangspunt dat een verdachte niet mag worden behandeld alsof hij al veroordeeld is. Juist bij voorlopige hechtenis is die herinnering van belang, omdat vrijheidsbeneming vóór het vonnis het meest ingrijpende middel is dat de overheid tegen een verdachte kan inzetten.

De gronden blijven vrijwel ongewijzigd

Wie verwacht dat het nieuwe wetboek de regels over voorlopige hechtenis grondig herziet, komt bedrogen uit. De regeling is verplaatst naar Boek 2 en opnieuw ingedeeld: de feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten staan in artikel 2.5.26, de gronden in artikel 2.5.27 en de eis van ernstige bezwaren in artikel 2.5.29. Inhoudelijk zijn de gronden echter vrijwel letterlijk overgenomen uit de huidige artikelen 67 en 67a. Vluchtgevaar, het onderzoeksbelang, het gevaar voor herhaling, de ernstig geschokte rechtsorde bij feiten waarop twaalf jaar of meer gevangenisstraf staat en de snelrechtgrond bij uitgaansgeweld blijven dus bestaan. Ook de verwarrende stapeling van eisen, zoals de zesjaarseis bij de recidivegrond, is gehandhaafd.


Dat is opvallend, omdat de wetgever in dezelfde toelichting erkent dat de voorlopige hechtenis in de praktijk te ruim wordt toegepast. De gronden zijn zo ruim geformuleerd dat rechters ze in vrijwel iedere zaak van enige ernst kunnen gebruiken. In de literatuur wordt gesproken van een grondhouding van 'vast, tenzij': de verdachte blijft in hechtenis, tenzij er een bijzondere reden is om hem vrij te laten. Die praktijk staat op gespannen voet met de onschuldpresumptie die het nieuwe wetboek nu juist vooropstelt.

Kritiek uit de rechterlijke macht en de wetenschap

De roep om verandering komt niet alleen van advocaten. In 2024 publiceerden drie rechters een artikel waarin zij vaststellen dat voorlopige hechtenis in de praktijk vooral wordt gebruikt om zaken hoog op de zittingsagenda te houden, en dat veel zittingscapaciteit opgaat aan beslissingen over de hechtenis. Zij roepen rechters en officieren van justitie op om vaker te kiezen voor een zaak op vrije voeten en om de schorsing van de voorlopige hechtenis tot standaardinstrument te maken. In een reactie in het Nederlands Juristenblad hebben de hoogleraar Uit Beijerse en de strafrechtadvocaat Maan betoogd dat ook de wetgever aan zet is. Zij stellen voor om in de wet een overkoepelende eis op te nemen: voorlopige hechtenis is alleen toegestaan wanneer sprake is van een direct gevaar dat van de verdachte zelf uitgaat, zoals een concreet risico dat hij vlucht, bewijs wegmaakt of nieuwe misdrijven pleegt.

Die kritiek sluit aan bij eerdere uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat Nederland in 2021 in drie zaken heeft veroordeeld omdat de voorlopige hechtenis onvoldoende was gemotiveerd. Het Hof verlangt dat de rechter per verdachte en per beslissing uitlegt waarom de vrijheidsbeneming noodzakelijk is. Een verwijzing naar de ernst van het feit of naar de justitiële documentatie is daarvoor niet genoeg.

Wat betekent dit voor verdachten?

Tot 2029 blijft de huidige wet van kracht, met dezelfde termijnen en dezelfde gronden. Toch is de discussie nu al van praktisch belang. De wetgever heeft de onschuldpresumptie uitdrukkelijk als uitgangspunt aangewezen en heeft erkend dat de toepassing van de voorlopige hechtenis terughoudender moet. Een verdediging die zich op deze ontwikkeling beroept, kan de rechter-commissaris en de raadkamer vragen om een concrete motivering van het gevaar dat van de verdachte uitgaat, en kan bij ieder beslismoment aandringen op schorsing onder voorwaarden. Daarbij helpt het om zelf een uitgewerkt plan aan te bieden: een vast adres, werk of opleiding, een meldplicht of een contactverbod nemen de belangrijkste gronden vaak weg.

Voor de langere termijn blijft de vraag of de wetgever de gronden alsnog aanpast voordat het wetboek in werking treedt. Via aanvullingswetten wordt de tekst nog bijgesteld, zodat het debat over een strengere toets zeker niet gesloten is. Wie nu in voorlopige hechtenis zit of daarmee te maken krijgt, doet er verstandig aan zich te laten bijstaan door een advocaat die deze ontwikkelingen kent en op elk moment van de procedure gebruikmaakt van de ruimte die de wet en de rechtspraak bieden.