Skip to content

Knowledge base / Fraud & money laundering

Bestraffing van zorgfraude

mr W.J. (Willem) Backer

Advocaat | Partner

01 Oct 2026

Short answer

Zorgfraude wordt steeds vaker strafrechtelijk aangepakt, met vervolging van bestuurders, beroepsverboden en ontneming van de opbrengst. Tegelijk laat de rechtspraak van 2025 en 2026 zien dat het bewijs van opzet vaak tekortschiet, waardoor het OM terugvalt op witwassen en de administratieplicht.

Fraude met zorggeld staat hoog op de agenda van politiek, toezichthouders en Openbaar Ministerie. Het Informatie Knooppunt Zorgfraude ontving in 2025 bijna 700 signalen, vooral over wijkverpleging, en het kabinet kondigde in juni 2026 een pakket maatregelen aan met strengere toetredingseisen, een verplichte VOG voor bestuurders en extra opsporingscapaciteit. Zorgaanbieders, budgethouders en hun bestuurders lopen daardoor een reëel risico om verdachte te worden. In dit artikel beschrijven wij hoe de vervolging van zorgfraude in 2025 en 2026 verloopt, welke straffen de rechter oplegt en waar het bewijs in de praktijk op stukloopt.

Het juridisch kader

Zorgfraude is geen apart delict. Het Openbaar Ministerie vervolgt op grond van oplichting van zorgkantoren, verzekeraars, gemeenten of de Sociale Verzekeringsbank (artikel 326 Sr), valsheid in geschrift bij zorgovereenkomsten, urenstaten, facturen en diploma's (artikel 225 Sr), witwassen van de opbrengst (artikel 420bis en 420ter Sr) en, bij georganiseerde constructies, deelneming aan een criminele organisatie (artikel 140 Sr). Daarnaast is het niet voeren van een deugdelijke administratie door een zorgaanbieder een economisch delict op grond van artikel 36 van de Wet marktordening gezondheidszorg. Bestuurders worden vervolgd als feitelijk leidinggever en kunnen als bijkomende straf voor jaren uit het beroep in de zorg of uit het bestuurderschap worden gezet (artikel 28 Sr). De opsporing is in handen van de Nederlandse Arbeidsinspectie, de FIOD en de politie, onder gezag van het Functioneel Parket. Sinds 1 januari 2025 regelt de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg de uitwisseling van fraudesignalen tussen gemeenten, zorgkantoren, verzekeraars en toezichthouders.

Zware straffen bij bewezen fraude

Waar het bewijs rond is, legt de rechter forse straffen op. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde in april 2026 de directeur van een Utrechtse pgb-zorginstelling die jarenlang meer zorg declareerde dan werd geleverd en het geld via verdeellijsten met budgethouders deelde, tot 46 maanden gevangenisstraf en een beroepsverbod in de zorg van zes jaar. Omdat de illegale opbrengsten vier jaar lang maandelijks met legaal vermogen waren vermengd, merkte het hof het volledige bedrag van ruim € 8 miljoen aan als witgewassen (ECLI:NL:GHARL:2026:2031). De rechtbank Overijssel legde 24 maanden onvoorwaardelijk op aan de voorzitter van een thuiszorgstichting die ruim € 450.000 aan de boedel onttrok en de zorgbonus en NOW-steun privé besteedde (ECLI:NL:RBOVE:2025:5276). Ook individuele budgethouders ontkomen niet: een vrouw die bijna zes jaar meer uren declareerde dan geleverd, kreeg van de rechtbank Limburg twaalf maanden gevangenisstraf, meer dan het OM had geëist (ECLI:NL:RBLIM:2026:6318).

Het beroepsverbod wordt daarbij een vast onderdeel van de straf. De rechtbank Midden-Nederland legde een zorgondernemer die bijna € 250.000 van een terminaal zieke cliënt opnam, naast twaalf maanden gevangenisstraf een verbod van vijf jaar op om in de individuele zorg te werken (ECLI:NL:RBMNE:2025:6750). De rechtbank Rotterdam ontzette in juli 2026 een bestuurder die met valse vaststellingen ruim € 375.000 aan coronasubsidie voor zorgpersoneel had geïnd, voor vijf jaar uit het recht om bestuurder te zijn (ECLI:NL:RBROT:2026:9282). Nieuwe fraudevormen krijgen eveneens aandacht: de bestuurder van een zorguitzendbureau met veertig valse diploma's en VOG's in de administratie kreeg achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes voorwaardelijk, nadat het bureau zelf al een strafbeschikking van € 775.000 had betaald (ECLI:NL:RBROT:2026:7018).

Waar het bewijs tekortschiet

De rechtspraak laat ook de grenzen van de vervolging zien. Een gebrekkige administratie of ondoelmatige zorg is nog geen fraude. De rechtbank Rotterdam sprak in juli 2026 de verdachten in een zaak over twee thuiszorgondernemingen vrij van valsheid in geschrift en oplichting, omdat niet kon worden vastgesteld wie de dagrapportages had opgemaakt en of opzettelijk onjuist was gedeclareerd. Alleen gewoontewitwassen, gebaseerd op een capaciteitsberekening van bijna 111.000 onverklaarbare uren, en deelneming aan een criminele organisatie bleven over; de straf bleef beperkt tot het voorarrest en een taakstraf, mede door een procesduur van vijf jaar (ECLI:NL:RBROT:2026:8459). In een groot onderzoek naar pgb-fraude rond dezelfde Utrechtse instelling werden in 2025 zeven van de dertien budgethouders en medewerkers vrijgesproken, omdat het voorkomen op een verdeellijst onvoldoende bewijs van opzet opleverde (ECLI:NL:RBMNE:2025:3670). En waar oplichting niet bewijsbaar was, veroordeelde de rechtbank Rotterdam een thuiszorgbestuurder uitsluitend voor het schenden van de administratieplicht van de Wet marktordening gezondheidszorg, met een taakstraf in plaats van de geëiste twee jaar gevangenisstraf (ECLI:NL:RBROT:2025:2967).

Twee factoren werken in vrijwel iedere zorgfraudezaak strafverminderend: de lange duur van het onderzoek, die in 2025 en 2026 geregeld tot overschrijding van de redelijke termijn met twee tot vijf jaar leidde, en de vraag naar de precieze omvang van het nadeel, die bij een capaciteitsberekening zelden exact is vast te stellen. Katvangers die hun naam of rekening ter beschikking stelden, komen er met een taakstraf vanaf, maar worden wel veroordeeld: wie geen enkel onderzoek doet, aanvaardt bewust de kans op fraude (ECLI:NL:RBROT:2025:7175).

Wat dit betekent voor zorgaanbieders

De ontwikkeling is duidelijk. Het Openbaar Ministerie zet zwaarder in op bestuurders, op witwassen en op bijkomende straffen die het werken in de zorg onmogelijk maken, terwijl de wetgever het toezicht aan de voorkant verscherpt met vergunningplichten, VOG's en Bibob-toetsing. Voor zorgaanbieders is een sluitende administratie van geleverde uren en ingezet personeel daarmee niet alleen een bestuurlijke verplichting, maar ook de beste verdediging in een strafzaak. Wie een controle van het zorgkantoor, een melding bij het Informatie Knooppunt Zorgfraude of een inval van de Arbeidsinspectie krijgt, doet er verstandig aan direct juridische bijstand in te schakelen, nog voordat verklaringen worden afgelegd. De kwalificatie van de feiten, oplichting of enkel een administratief verzuim, bepaalt in deze zaken het verschil tussen een taakstraf en jaren gevangenisstraf.