Short answer
Bouwfraude is van karakter veranderd. Waar vroeger prijsafspraken tussen bouwbedrijven centraal stonden, gaat het nu vooral om aannemers die voorschotten innen en niet leveren, om omkoping bij overheidsopdrachten en om valse facturen als witwasconstructie. De straf: gevangenisstraf en een beroepsverbod.
Het woord bouwfraude roept nog altijd de parlementaire enquête van 2002 op, toen bleek dat honderden bouwbedrijven met schaduwboekhoudingen en vooroverleg de prijzen van overheidsopdrachten hadden opgedreven. Een kwart eeuw later is het beeld in de rechtspraak veranderd. Kartelzaken zijn klein en lokaal geworden, terwijl rechtbanken en hoven in 2025 en 2026 vooral oordelen over aannemers die particulieren oplichten, over ambtenaren die door bouwbedrijven worden omgekocht en over bouwfacturen die dienen om crimineel geld wit te wassen. In dit artikel beschrijven wij die ontwikkeling en de straffen die eraan verbonden zijn.
Aannemersfraude: voorschot innen en niet leveren
De meest voorkomende vorm van bouwfraude in de huidige rechtspraak is de aannemer die aanbetalingen int en vervolgens niets of nauwelijks iets levert. De Fraudehelpdesk registreerde in 2025 ruim 1.300 meldingen over malafide klusbedrijven met een schade van ongeveer € 2 miljoen, een stijging van driekwart ten opzichte van het jaar ervoor. De werkwijze is steeds vergelijkbaar: een vennootschap zonder kantoor of personeel, een professionele website, werving via online platforms, een inmeting aan huis en een korting bij vooruitbetaling. De rechtbank Rotterdam veroordeelde in juni 2025 de oprichter van twee van zulke papieren bouwbedrijven, die ruim zeventig klanten voor ongeveer € 500.000 benadeelden, tot 36 maanden gevangenisstraf wegens oplichting en gewoontewitwassen (ECLI:NL:RBROT:2025:7704). Een dakdekker die in drie maanden van 61 klanten € 278.000 aan aanbetalingen ontving en het geld direct opnam, kreeg van de rechtbank Amsterdam twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes voorwaardelijk, en een beroepsverbod van vijf jaar als bestuurder, dat ook aan de Kamer van Koophandel wordt doorgegeven (ECLI:NL:RBAMS:2026:3315).
Het verweer dat het om een mislukte onderneming of een civiele wanprestatie gaat, wordt door rechters consequent verworpen zodra blijkt dat geen materialen zijn besteld of personeel is ingepland. Rechters gebruiken bovendien schakelbewijs: wanneer de werkwijze bij alle aangevers identiek is, mag het bewijs in de ene zaak meewegen in de andere. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden paste dat in juni 2026 toe bij een man die bij hoogbejaarden dakschade verzon en contant geld voor materialen meenam; hij kreeg 34 maanden gevangenisstraf (ECLI:NL:GHARL:2026:4037). Een kozijnenhandelaar die van 32 opdrachtgevers € 470.000 aan aanbetalingen vergokte, kreeg in hoger beroep 40 maanden (ECLI:NL:GHARL:2025:2346). De Hoge Raad liet in december 2025 een veroordeling van een dakdekker tot dertig maanden gevangenisstraf, een beroepsverbod van vijf jaar en openbaarmaking van het arrest zonder anonimisering in stand (ECLI:NL:HR:2025:1792). Het beroepsverbod is daarmee een vast onderdeel van de straf geworden; het Openbaar Ministerie eiste het in september 2026 ook tegen acht leden van een bende malafide spoedelektriciens, naast gevangenisstraffen tot drieënhalf jaar.
Omkoping bij overheidsopdrachten
De klassieke bouwfraude, corruptie rond overheidsopdrachten, komt nog steeds voor de rechter. In juli 2026 veroordeelde het gerechtshof Den Haag twee voormalige inspecteurs van de gemeente Rotterdam en een aannemer in het onderzoek naar bestratingswerk. De inspecteurs hoogden jarenlang de productiestaten van straatmakers op en ontvingen daarvoor racefietsen, horloges en betalingen op valse facturen; de gemeente leed ongeveer € 2 miljoen schade (ECLI:NL:GHDHA:2026:2301). Opvallend is de strafmaat: waar de rechtbank in 2023 nog gevangenisstraffen tot twee jaar oplegde, kwam het hof tot enkele maanden gevangenisstraf en taakstraffen, omdat de feiten acht tot veertien jaar oud waren, de redelijke termijn ruim was overschreden en een groot deel van de schade was terugbetaald. Kartelafspraken worden intussen bestuursrechtelijk afgedaan: de Autoriteit Consument en Markt beboette in mei 2026 twee aannemers die hun inschrijfprijzen voor een gemeentelijk grondwerk in Ommen hadden afgestemd, met bedragen van € 15.500 en € 30.000, terwijl de eerste melder clementie kreeg.
Valse facturen, bouwdepots en faillissementen
Een derde verschijningsvorm is het gebruik van bouwfacturen als instrument voor andere misdrijven. De rechtbank Den Haag legde in juli 2026 achttien maanden gevangenisstraf op aan een verdachte die met het briefpapier van twee bouwbedrijven facturen voor niet-verrichte werkzaamheden bij een bank indiende en zo € 668.000 uit een bouwdepot liet uitbetalen (ECLI:NL:RBDHA:2026:19750). De rechtbank Gelderland beboette een vennootschap met € 33.000 omdat zij contant drugsgeld ontving en dat tegen facturen voor fictieve montage-uren giraal terugboekte (ECLI:NL:RBGEL:2026:7018). En het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde in mei 2026 de bestuurder van twee zonnepanelenbedrijven die ruim € 600.000 aan de vennootschappen onttrok en de administratie niet aan de curator afgaf, tot achttien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens faillissementsfraude (ECLI:NL:GHARL:2026:3365).
Straffen en betekenis
Voor de strafmaat sluiten rechters aan bij de oriëntatiepunten voor fraude, die het benadeelde bedrag als uitgangspunt nemen: twaalf tot achttien maanden gevangenisstraf bij een nadeel tussen € 250.000 en € 500.000, oplopend bij hogere bedragen en recidive. Daar komen het beroepsverbod, de openbaarmaking van het vonnis en de schadevergoeding aan gedupeerden bij. Bij omkoping weegt het tijdsverloop daarentegen zwaar in het voordeel van de verdachte. Voor bouwbedrijven en hun bestuurders betekent dit dat de grens tussen een zakelijk conflict en een strafzaak scherp wordt getrokken op het moment dat voorschotten worden ontvangen zonder dat de uitvoering is voorbereid, of dat facturen worden opgemaakt voor werk dat niet is verricht. Wie als aannemer of opdrachtgever met een aangifte of een onderzoek wordt geconfronteerd, doet er verstandig aan vroeg juridisch advies in te winnen.
