Kort antwoord
Slachtoffers en nabestaanden hebben in het strafproces een eigen positie: bij ernstigere misdrijven mogen zij op de zitting spreken en zij kunnen hun schade binnen de strafzaak vergoed krijgen, zonder aparte procedure. Goede voorbereiding en onderbouwing zijn daarbij van groot belang.
De positie van slachtoffers in het strafproces is de afgelopen decennia aanzienlijk versterkt. Wie slachtoffer is van een misdrijf, heeft het recht om op de zitting te spreken en kan zijn schade binnen de strafzaak vergoed krijgen, zonder zelf een civiele procedure te hoeven beginnen. In dit artikel leggen wij uit wie mag spreken en waarover, hoe u schadevergoeding vordert en welke regelingen er bestaan wanneer de dader niet betaalt.
Wie mag spreken, en waarover?
Het spreekrecht bestaat bij ernstigere delicten: misdrijven waarop acht jaar of meer gevangenisstraf staat en een aantal specifiek aangewezen feiten, waaronder zedendelicten, stalking en ernstige verkeersmisdrijven. Spreekgerechtigd zijn het slachtoffer zelf, maar ook nabestaanden en, onder voorwaarden, ouders van minderjarige slachtoffers en anderen uit de naaste kring. Sinds 2016 is het spreekrecht onbeperkt: u mag zich niet alleen uitlaten over de gevolgen die het feit voor u heeft gehad, maar ook over het bewijs, de schuld van de verdachte en de straf die u passend vindt. De rechter beslist uiteraard zelfstandig, maar neemt kennis van uw verklaring en kan deze bij zijn oordeel betrekken.
De rechten van slachtoffers zijn nadien verder uitgebreid met de Wet uitbreiding slachtofferrechten. Zo geldt het spreekrecht nu ook op zittingen over de verlenging van tbs, en is voor verdachten van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven die zich in voorlopige hechtenis bevinden een verschijningsplicht ingevoerd, zodat het slachtoffer het spreekrecht in aanwezigheid van de verdachte kan uitoefenen. Wie wil spreken, kan zich laten bijstaan of het woord laten voeren door een advocaat of een gemachtigde; ook een schriftelijke slachtofferverklaring behoort tot de mogelijkheden.
Schadevergoeding zonder aparte procedure
Materiële schade, zoals vernielde eigendommen, medische kosten of gemiste inkomsten, en immateriële schade (smartengeld) kunt u vorderen door u als benadeelde partij te voegen in het strafproces. Dat gebeurt met een voegingsformulier dat vóór of tijdens de zitting wordt ingediend en het kost geen griffierecht. De strafrechter behandelt de vordering tegelijk met de strafzaak en wijst haar toe voor zover zij voldoende is onderbouwd en geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert; voor het overige kan hij de vordering niet-ontvankelijk verklaren, waarna de burgerlijke rechter openstaat. Een goede onderbouwing met bewijsstukken is daarom van groot belang.
Wijst de rechter de vordering toe, dan legt hij vrijwel altijd ook de schadevergoedingsmaatregel op. Het CJIB int het bedrag dan namens u bij de veroordeelde, zodat u niet zelf achter de dader aan hoeft. Heeft de veroordeelde acht maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis nog niet volledig betaald, dan keert de Staat het restant aan u uit via de voorschotregeling: bij gewelds- en zedenmisdrijven zonder maximum, bij andere misdrijven tot € 5.000. Daarnaast kan bij ernstige gewelds- en zedenmisdrijven een eenmalige uitkering worden aangevraagd bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven, ook wanneer de dader onbekend is gebleven of is vrijgesproken.
Het strafproces biedt slachtoffers zo twee belangrijke rechten: het spreekrecht op de zitting en een eenvoudige weg naar schadevergoeding, waarbij het CJIB de inning verzorgt en de voorschotregeling de betaling in veel gevallen waarborgt. Beide vragen om tijdige voorbereiding: het spreekrecht om een doordachte verklaring, de vordering om een deugdelijke onderbouwing. Laat u daarom vroeg in de procedure adviseren; de bijstand van een advocaat is voor slachtoffers van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven bovendien kosteloos.
